De magie van de vroege ochtend
Vroeg in de ochtend, toen het buiten nog pikkedonker was, stond de televisie al aan. Samen met mijn vader zat ik aan de keukentafel met een boterham met kaas te kijken naar het begin van de Elfstedentocht. Ik herinner me nog levendig hoe spannend zijn stem klonk als hij over de helden van vroeger vertelde. Het kraken van het ijs, de gure wind, de schaatsers die als een eindeloze, kleurrijke sliert door het Friese landschap trokken, het voelde alsof we er zelf middenin stonden. “Kijk, daar gaan ze!” zei hij dan. “Dit is Nederland op z’n mooist.” En ik geloofde hem, onvoorwaardelijk.
Een veranderend landschap
Sinds die vroege ochtenden is er stiekem een wereld van verschil ontstaan. De laatste tocht werd gereden in 1997, inmiddels bijna dertig jaar geleden, en hoewel ze in Friesland en de rest van Nederland elke winter weer smeken om vorst, laat het ijs het steevast afweten. Het klimaat is onverbiddelijk veranderd en onze winters zijn te zacht geworden om de dikte te bereiken die nodig is voor die tweehonderd kilometer over natuurijs.
Hoop en traditie
Toch gebeurt er iets vreemds zodra de winter zich aandient en het kwik daalt: die oude opwinding kruipt weer naar boven. Misschien is de Elfstedentocht allang geen sportwedstrijd meer, maar vooral een diepgeworteld symbool van hoop, van ergens gezamenlijk naar verlangen en durven geloven in het onmogelijke.
Wie weet zit ik over een tijdje op een ijskoude ochtend met mijn eigen zoon aan de tafel, wijzen we samen naar het scherm en zeg ik precies hetzelfde: “Kijk, daar gaan ze! Dit is Nederland op z’n mooist.”

Geef een reactie